Drs. Bouwina van Bruggen is nascholingscoördinator
bij het Seminarium voor Orthopedagogiek in de regio Noord.
Met een groep belangstellenden ging ze vorig jaar naar
Connecticut om daar inclusief onderwijs in de praktijk te gaan bekijken. (najaar
2013)
In de meeste districten begint een kind in een ‘gewone’
klas. Daar blijkt wel of het kind extra ondersteuning nodig heeft. Pas daarna
gaat men kijken naar hoeveel en welke ondersteuning. Die ondersteuning krijgt
vorm in de figuur van een zogenaamde para-educator. De benodigde hoeveelheid
onder steuning wordt in uren para-educator uitgedrukt. Die zit bij het kind in
de ‘gewone’ klas en helpt waar nodig.
Door de aanwezigheid van de para-educator hoeft de leerkracht feitelijk niet te differentiëren. We hebben klassen gezien waarin wel drie of vier kinderen vrijwel fulltime een para-educator naast zich hadden. De leraar kon klassikaal les geven en wat het kind aan extra’s nodig heeft, verzorgt de para-educator. Alle kinderen krijgen zo het zelfde programma aangeboden. Ze moeten minstens 80% van de uren in een gewone klas zitten.
Door de aanwezigheid van de para-educator hoeft de leerkracht feitelijk niet te differentiëren. We hebben klassen gezien waarin wel drie of vier kinderen vrijwel fulltime een para-educator naast zich hadden. De leraar kon klassikaal les geven en wat het kind aan extra’s nodig heeft, verzorgt de para-educator. Alle kinderen krijgen zo het zelfde programma aangeboden. Ze moeten minstens 80% van de uren in een gewone klas zitten.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten