Buitengewoon
onderwijs blijft bestaan, maar zoveel mogelijk leerlingen moeten naar het
gewone onderwijs. In Vlaanderen zitten +/- 50 000 leerlingen in het
buitengewoon onderwijs. Bepaalde groepen leerlingen belanden er te snel:
kinderen uit gezinnen met een lagere sociale status, leerlingen met
taalproblemen, zwakbegaafde leerlingen, leerlingen met dyslexie, dyscalculie,
met gedragsproblemen, ...
Om een kind in te schrijven in een school voor buitengewoon onderwijs is een verslag van het CLB een voorwaarde.
Om een kind in te schrijven in een school voor buitengewoon onderwijs is een verslag van het CLB een voorwaarde.
- Ouders kunnen van hun recht op buitengewoon
onderwijs gebruik maken en hun kind in een buitengewone school van het
betreffende type inschrijven.
- Anderzijds kunnen ouders er ook voor kiezen om aan een school voor gewoon onderwijs te vragen of hun kind les mag volgen met een aangepast programma op maat van de leerling.
- Is de gewone school van oordeel dat de aanpassingen niet redelijk zijn, dan kan ze de inschrijving weigeren of de inschrijving met het oog op het volgende schooljaar beëindigen. Het kind kan dan naar een buitengewone school gaan.
- Een gewone school zal bij de doorverwijzing naar een school voor buitengewoon onderwijs moeten aantonen dat ze in samenwerking met het CLB wel degelijk maatregelen heeft genomen en dat ze een zorgtraject heeft doorlopen. Een doorverwijzing puur op basis van sociaal, economische of culturele achtergrondkenmerken zal niet meer kunnen.
Er zal
voldoende ondersteuning zijn voor kinderen met een beperking. Als er door het
M-decreet minder leerlingen naar het buitengewoon onderwijs gaan, dan krijgt
het gewoon onderwijs de vrijgekomen middelen. Scholen schakelen ook
zorgcoördinatoren, leerlingenbegeleiders en GOK-uren in om leerlingen met
speciale noden te ondersteunen. Van de gewone leraren wordt verwacht dat zij in
de les nog meer differentiëren.
De
toename van leerlingen met een beperking zal dus niet zo ingrijpend zijn op een
klasgroep. Het klasniveau zal door het M-decreet niet dalen. Op dit moment zijn
er in een klas ook al grote verschillen op het vlak van talenten en
mogelijkheden. Leraren moeten nu al
differentiëren en zullen dat in de toekomst nog sterker moeten doen. De
ervaring is trouwens dat maatregelen voor leerlingen met specifieke noden ook
goed zijn voor alle leerlingen.
Kinderen met een licht mentale achtergrond (type
1) en kinderen met leerstoornissen (type 8) zullen terecht kunnen in het nieuwe
type “basisaanbod” in het buitengewoon onderwijs. Dit gebeurt op basis van hun specifieke
onderwijsbehoeften in plaats van een medisch label zoals nu. Leerlingen uit dit
type kunnen na een positieve evaluatie van de school en het CLB terug naar het
gewone onderwijs. (om de 2 jaar)
Krijgen kinderen met een
beperking niet meer ondersteuning in een buitengewone school, voelen ze zich
daar niet beter? Leraren,
ouders, begeleiders moeten heel goed in het oog houden of het kind met een
beperking zich goed voelt in het gewone onderwijs. De aanwezigheid van kinderen met een beperking in een klasgroep kan ook net
zorgen voor meer samenhang, leerlingen leren zorg dragen voor mekaar, wat ook
een belangrijke competentie is.
Voor wie het attest type basisaanbod buitengewoon
onderwijs krijgt en naar het buitengewoon onderwijs gaat, zal men elke twee
jaar herbekijken of hij niet mits
redelijke aanpassingen naar het gewoon onderwijs kan gaan.
Een leerling
met een beperking die mits redelijke aanpassingen toch het gewone programma volgt krijgt een gewoon attest.
Redelijke aanpassingen zijn bijvoorbeeld laptops in de les, steeds rekenmachines gebruiken, langere toetstijden, ...
Redelijke aanpassingen zijn bijvoorbeeld laptops in de les, steeds rekenmachines gebruiken, langere toetstijden, ...
Als de leerling een individueel aangepast programma volgt , krijgt hij
niet het gewone attest. Hij krijgt een “attest van verworven competenties” en
mag wel mee met zijn klasgroep.
Eigen
opmerkingen
In het kleuteronderwijs zal de toename van kinderen
met een beperking redelijk gespreid over verschillende klassen gebeuren. In het
middelbaar komen deze leerlingen grotendeels in TSO en BSO terecht. Dit geeft
soms aanleiding tot een grote concentratie van deze leerlingen in bepaalde
klassen.
Leerlingen worden minder gemakkelijk doorgestuurd
naar buitengewoon onderwijs. Zeker voor kinderen die van thuis uit minder
begeleiding en zorg krijgen en zo het gewone onderwijs mislopen lijkt me dit
een goede zaak.
Als er verwacht wordt dat leerkrachten meer moeten
differentiëren, denk ik dat de overheid de grootte van de klasgroepen moet
aanpassen aan het aantal leerlingen met een beperking en aan de ernst van de
beperking.
Als kinderen van jongsaf aan geconfronteerd worden
met kinderen met een beperking denk ik dat ze later zullen opgroeien tot meer
verdraagzame volwassenen.
De
redelijke aanpassingen voor kinderen in lager en secundair onderwijs die
vermeld worden (laptops in de les, steeds rekenmachines gebruiken, langere
toetstijden, ...) werden in mijn school reeds gebruikt voor leerlingen met een
leerstoornis.
Het is
duidelijk dat het M-decreet vooral de leerlingen in het nieuwe type
“basisaanbod” (huidige type 1 en 8) meer naar het gewone onderwijs wil laten
gaan. (Mits redelijke aanpassingen of een individueel traject, evaluaties om te zien of leerlingen terug
naar gewoon onderwijs kunnen.)
Wanneer men een gemeenschappelijk eerste graad secundair onderwijs gaat invoeren, betekent dit dan dat leerlingen met een IQ van 60 en leerlingen et een IQ van meer dan 130 samen in 1 klas gaan zitten?
gevonden op: http://www.ond.vlaanderen.be/specifieke-onderwijsbehoeften/M-decreet/veelgestelde-vragen-ouders.htm
Geen opmerkingen:
Een reactie posten