Lezersbrief

Als studente lerarenopleiding  kleuteronderwijs werd ik tijdens mijn stages reeds geconfronteerd met leerlingen met een beperking in de klas: een kindje met een visuele beperking, met een auditieve beperking, een kindje met ASS en een kindje met gedragsproblemen. 
Op 12 maart 2014 werd het  M-decreet goedgekeurd. Volgens dit decreet hebben alle leerlingen met een IQ vanaf 60, die mits redelijke aanpassingen het gewone onderwijs kunnen volgen, het recht om zich in te schrijven in een gewone school.
Deze twee feiten deden mij dieper nadenken over de vraag of er meer kinderen met beperking naar het gewone onderwijs moeten en/of kunnen.
In heel wat scholen wordt er nu ook al extra inspanningen geleverd om leerlingen met een beperking les te laten volgen. Dit heb ik opgemerkt op mijn stagescholen: voor een leerling met een visueel probleem werden pictogrammen vergroot, de naam van de leerling werd groter afgedrukt, er was een rechtopstaande lessenaar aanwezig, de kleuterleidster had een bijscholing gevolgd in een school voor visueel gehandicapten...  Ook in mijn middelbare school kregen leerlingen met leerproblemen, ASS, rolstoelpatiënten gewoon onderwijs en kregen ze faciliteiten zoals meer tijd voor toetsen te maken, apart zitten tijdens de examens, ...
Ik ontdekte in mijn onderzoek heel wat argumenten pro en contra het M-decreet. Hieronder som ik de belangrijkste voordelen of positieve bedenkingen even op:

·    In Amerika spreekt men niet over kinderen met een beperking maar over "children with special needs", dus kinderen die iets extra's nodig hebben, en niet over de beperking van het kind. Een klein detail maar het zegt wel iets over de houding ten opzichte van deze kinderen.
·    Kinderen uit gezinnen met een lagere sociale status, kinderen waarvan de ouders minder opgeleid zijn en/of waarvan de ouders minder inspanningen leveren om hun kind in het gewone onderwijs te houden zullen minder gemakkelijk in het bijzonder onderwijs terecht komen.
·    Kinderen kunnen onderwijs volgen in hun buurt en moeten niet meer naar een school die veraf ligt. Ze houden contact met kinderen uit hun omgeving.
·    Kinderen leren zeer veel van leeftijdsgenoten. Door een inclusiekind in een gewoon milieu te plaatsen, wordt het gestimuleerd door de anderen en leert daar veel uit.
·    Voor een aantal leerlingen met een beperking is het onderwijsniveau in het buitengewoon onderwijs te laag, ze leren er onvoldoende.
·    Een klas met een inclusieleerling leert omgaan met verschillen, leert verdraagzamer om te gaan met mensen met een beperking, zullen ook later meer respect tonen en gemakkelijker beseffen dat deze mensen ook bij de maatschappij horen.
·    Als de omkadering van de inclusieleerling goed voorzien is, dan genieten ook andere kinderen hiervan: de extra begeleiding zal zich meestal niet beperken tot die ene inclusieleerling. Om de leerling in de klas te betrekken, zullen ook andere (veelal zwakkere) leerlingen mee geholpen worden waar nodig. Soms kan de extra begeleiding zich eens richten op de sterkere leerlingen, zodat de klasleerkracht zich met de mindere leerlingen bezig houdt, met natuurlijk ook de inclusieleerling. Zo wordt maximale differentiatie een realiteit in één klas.

Toch stel ik mij vragen bij de haalbaarheid van dit M-decreet. Ik stuitte in mijn onderzoek op enkele negatieve punten. Om inclusief onderwijs te doen slagen en de mogelijke extra aantal leerlingen met een beperking goed op te vangen in het gewone onderwijs zou er volgens mij toch rekening moeten gehouden worden met de volgende punten:
  • Uit gesprekken op mijn stagescholen met de kleuterleiders blijkt dat een aantal leerkrachten niet weten wat het M-decreet is en ze dus ook niet weten wat er op hun afkomt. Aangezien dit M-decreet ingaat op 1 september 2015 lijkt het me nuttig om zo vlug mogelijk leerkrachten uitleg te geven over het M-decreet via bijscholingen of info-avonden.
  • Er wordt door de overheid extra ondersteuning beloofd. Scholen en leerkrachten zouden zo vlug mogelijk moeten geïnformeerd worden over waaruit deze ondersteuning bestaat, wat ze concreet op hun school kunnen verwachten.
  • Er moet een beperking komen van het aantal leerlingen per klas. In een klas met 26 kleuters is het niet eenvoudig om leerlingen met een beperking extra te begeleiden.
  • Er moet extra begeleiding zijn voor de leerlingen met een beperking , ook in de klas, door speciaal opgeleide leerkrachten.
  • Er moet gezorgd worden voor grote lokalen zodat er plaats is voor differentiatie,  voor extra leerkrachten in de klas.
  • In de lerarenopleiding moet er extra aandacht besteed worden aan hoe men moet omgaan met de beperking van een leerling en hoe men een klas moet managen wanneer er dergelijke leerlingen in de klas zitten
  • Er moet een maximum aantal leerlingen met een beperking per klas vastgelegd worden. Men moet er op toezien dat binnen een school sommige klassen of richtingen niet te veel leerlingen met een beperking hebben.
  • Er moet voor gezorgd worden dat leerlingen met een beperking gelijk verdeeld worden over de verschillende scholen, door op te volgen of alle scholen het M-decreet even goed toepassen.
  • Er moet steeds rekening gehouden worden met het welbevinden van het kind. Het moet zich goed voelen op een gewone school, het kind moet in het gewone onderwijs minstens zoveel leren als wanneer het in het buitengewoon onderwijs les zou volgen. Een blind kind leert meer op een blindenschool dan in het gewoon onderwijs. Een kind met ASS voelt zich misschien beter in een aangepaste klas in het buitengewoon onderwijs. Leerkrachten uit het buitengewoon onderwijs en ook sommige ouders van leerlingen met een beperking maken zich zorgen of hun kinderen in het gewone onderwijs een even goede begeleiding en opleiding  gaan krijgen in het gewone onderwijs.
Ik ben zeker voorstander van meer leerlingen met een beperking in de klas. Kinderen krijgen zo meer respect, meer kennis over mensen met of zonder beperkingen. Ze worden verdraagzamer. Ook in het dagelijkse leven worden we geconfronteerd met mensen met een beperking. Dat moet ook op school kunnen. 
In het kleuteronderwijs en de eerste jaren van het lager onderwijs vind  ik inclusief onderwijs voor  meer leerlingen met een beperking mogelijk, mits voldoende ondersteuning.

Na het kleuteronderwijs, wanneer leerinhouden steeds belangrijker worden moet er vooral rekening gehouden worden met het welbevinden van het kind en de vraag of het kind beter voorbereid wordt op zijn toekomst in het gewone onderwijs of in het bijzonder onderwijs. Er moet ook voor gezorgd worden dat er in het gewone onderwijs voldoende begeleiding is zodat de klasgroep geen nadeel ondervindt van de leerling(en) met een beperking in de klas.
Ik vraag me af of deze onderwijsvorm haalbaar blijft wanneer het lestempo steeds hoger wordt en de leerstof steeds zwaarder wordt. Wat doet men in het middelbaar onderwijs wanneer leerlingen met een IQ van 60 samen komen met normaalbegaafde of zelfs hoogbegaafde leerlingen? Krijgen alle leerlingen dan nog het onderwijs waar zij recht op hebben? Moet er niet overwogen worden om, zoals in Finland, voor een aantal leerlingen met een beperking speciale klasjes te voorzien op een gewone school waar ze een deel van de uren apart les krijgen?


Ondanks het feit dat er door de scholen al heel wat gewerkt wordt om extra zorg te bieden aan sommige leerlingen, denk ik dat het M-decreet te vroeg komt. Scholen en leerkrachten van het gewone onderwijs moeten heel duidelijk geïnformeerd worden en tijd krijgen om zich voor te bereiden, zodat  de extra leerlingen die voor het gewone onderwijs kiezen minstens zo goed opgevangen worden als in het buitengewoon onderwijs.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten